Organisatietheorie

Werkvormen

Hoorcolleges en opdrachten. De informatievoorziening verloopt via blackboard.

Vereiste voorkennis

Geen.

Leerdoelen

1.   Kennisdoelstellingen
1.1  Kennis verwerven over basisconcepten uit de organisatietheorie en hun samenhang.
1.2  Kennis verwerven over perspectieven op organisaties en de “scholen” die hiermee samenhangen.
1.3  Kennis verwerven over de historische ontwikkeling van basisconcepten, hun samenhang en perspectieven op organisaties.

2.   Toepassingsdoelstellingen
Studenten leren de organisatietheorie toe te passen door
2.1 De basisconcepten te benoemen in cases;
2.2 Te benoemen wat de consequenties zijn van het hanteren van verschillende perspectieven bij het oplossen van concrete organisatievraagstukken.
 
3.   Reflectiedoelstelling
3.1 Studenten leren dat organisatietheorie een kader biedt om organisatievraagstukken integraal te beschouwen (reflectie op nut organisatietheorie);
3.2  Studenten leren verschillende perspectieven op organisaties met elkaar te vergelijken en te beoordelen. 

4.   Integratiedoelstellingen
4.1. Studenten leren dat organisatietheorie een conceptueel kader biedt om verschillende bedrijfskundige perspectieven op organisatievraagstukken te integreren.
4.2 Studenten leren dat organisatietheorie een perspectief op organisaties biedt, waarin verschillende sociaal-wetenschappelijke disciplines worden geïntegreerd.

Beschrijving

In deze cursus staan “organisaties” centraal. Of beter: centraal staan de vragen “wat zijn organisaties?” en “Hoe kunnen organisaties zich in hun omgeving handhaven?” Organisaties worden vaak omschreven als “sociale systemen, waarin mensen interacteren en door die interactie een gemeenschappelijk doel proberen te realiseren”. Bij zo’n omschrijving kun je o.a. de volgende vragen stellen:
1.      Wat zijn die interacties?
2.      Wat is het doel?
3.      Wat beïnvloedt die interacties?
4.      En: Hoe kan een organisatie ervoor zorgen dat de interacties goed worden uitgevoerd (zodat ze de doelen goed realiseren en kunnen blijven voortbestaan)?
Dit zijn kernvragen voor het vakgebied “organisatietheorie”, en deze zullen in de cursus aan bod komen. Daarbij zullen we niet alleen stilstaan bij verschillende basisconcepten die nodig zijn om deze vragen te beantwoorden; we zullen ook laten zien dat er verschillende perspectieven/theorieën zijn mbt deze vragen en dat deze perspectieven/theorieën in de loop van de tijd zijn veranderd.
De 4 vragen zijn de leidraad voor de onderwerpen die in de cursus worden behandeld:
1.      Als eerste zal worden ingegaan op de vraag wat een organisatie is, en hoe de vier genoemde vragen daarmee samenhangen. Dit leidt tot een model van organisaties in hun omgeving en van beïnvloedende factoren. Dit kader zal worden gebruikt om de cursus te structureren. Hierbij worden basisconcepten uit de organisatietheorie (en hun samenhang) geïntroduceerd, en gerelateerd aan de 4 vragen. Bovendien wordt organisatietheorie gepresenteerd als een “interdiscipline”, die rust op de input van verschillende sociaalwetenschappelijk basisdisciplines (o.a. psychologie en sociologie).
2.      Op basis van het geïntroduceerde model wordt ingegaan op een geschiedenis van organisatietheorie. Daarbij komt naar voren (1) welke belangrijke perspectieven op organisaties er zijn (o.a. open/closed system view: classical school; human relations; contingency theorie) en (2) op welke manier die een andere invulling geven aan de antwoorden op de kernvragen en waarom dat zo is. Ook worden hier verschillende organisatievormen behandeld.
3.      De cursus gaat vervolgens in op twee belangrijke beïnvloedende factoren: structuur en cultuur.
a.       Bij de structuur (de manier waarop de hoofdtaak van organisaties is opgedeeld in subtaken en hoe het resulterende netwerk van taken wordt gecoördineerd) worden kerndimensies (o.a. specialisatie, formalisatie, centralisatie) behandeld alsook wat het betekent om verschillende invullingen op deze dimensies te hebben (en hoe verschillende invullingen de organisatie kunnen beïnvloeden). Relevante auteurs o.a. Taylor, Thompson, Simon en Mintzberg). Speciale aandacht heeft bureaucratietheorie (o.a. Weber).  
b.      Bij de cultuur wordt ingegaan op de vraag hoe deze binnen organisaties ontstaat en hoe deze organisaties kan beïnvloeden (relevante auteurs o.a. Schein, Hofstede).
4.      De laatste vraag die we in deze cursus behandelen is de vraag hoe organisaties ervoor kunnen zorgen dat interacties goed verlopen. Daarbij wordt ingezoomd op de vraag hoe de structuur ontworpen zou moeten worden, en wordt de contingency-theorie centraal gesteld. Er wordt:
a.       Een inleiding gegeven in de contingency-theorie;
b.      Nader ingegaan op technologie als contingentiefactor (o.a. adhv Perrow);
c.       Nader ingegaan op de omgeving als contingentiefactor (o.a. adhv Burns & Stalker; Lawrence & Lorsch).

Tentaminering

Schriftelijk tentamen

Literatuur

Robbins, S.P., & N. Barnwell. 2006. Organisation Theory (5th edition). Pearson education australia.

additionele literatuur zal in de colleges bekendgemaakt worden


Vakcode
MAN-BCU007
Studiepunten
6 ec
Niveau
Ba 1
Periode
Blok 3
Collegerooster opvragen
SWS / PersoonlijkRooster
Cursuscoördinator dr. A.A.J. Smits

Docenten

Opgenomen in